Briefwisseling Menno ter Braak - Jo Donkersloot

Jo Donkersloot
aan
Menno ter Braak

[juli 1935]

Zaterdagmiddag

 

Dierbaar vitalistje, ‘Nooit [kon] ik philosoofjes hinderlaag ontgaan!’ waarmee ik niets tegen je zwager bedoel. Integendeel, hij heeft een baard, hij is me dus sympathiek, want ik heb een zwak voor baarden om de eenvoudige reden dat ik door een b. ben opgevoed. Bovendien vermoed ik dat B. de philosoof is, voor wien den koekjestrommel moet worden weggesloten, wat toch ook vóór een philosoof pleit. Over baarden gesproken: mijn nichtje - of eigenlijk geen nichtje - van ± 2 jaar kwam laatst een meneer tegen met een lange, brede, golvende b. Ze ging ervoor staan, wees erop en zei: ‘mooie kwast, man!’, waarop de meneer met een hoffelijke zwaai en glimlach zijn hoed afnam voor de onthutste moeder. Wat is eigenlijk een huts? (Dit tussen haakjes.) Maar ik kom dus a.s. week-end. En wel: Zaterdag als ik bij jullie kan

[illustratie met pijl = slapen]

en anders Zondag. Want inderdaad: hoe kan één huis bevatten: 1) een philosoof, 2) een baard, 3) een groot schrijver, zij het een g.s. zonder hart, 4) een wonderlijk iets als een moeder toch is en blijft, 5) een ideale vrouw, 6) een kind en dàn nog een poema?

Kep net mijn eindrapportcijfers ingeleverd en een frik na rapport = paap na biecht. Een jáár lang opgekropte haat, liefde, wraakzucht enz. heb ik eindelijk kunnen ontladen: vele krengen is de nek omgedraaid, willekeurig misschien maar radicaal, maar geliefde knapen worden dan ook tegelijk genekt, want hun cijfertjes waren niets beter dan die van de krengen, en de cijfertjes die je zelf geeft worden machtig over je. En zo zit je stoom af te blazen: je haat te luchten, je liefde te verzaken, totdat de hele wereld voor je wriemelt van cijfertjes en je je zelf daartegenover voelt als een zuigeling, wiens vuile luier net is weggenomen. Hoe vies! maar het is ook een vies vak. Weet je b.v. hoe je vertalen moet: ‘??µ?? ?te?p??, ?µe??? ?? ?????s? ß???’?: ‘ze smulden v.d. thijm, die in de neus der runderen zit.’ Aldus een 6e klasser. Kep dit jaar voor 't eerst van mijn leven eindexamen ‘afgenomen’: onder auspiciën van een baard, alweer een baard. Op een ogenblik zaten er zelfs 2 baarden bij: de rector en zijn baard kwamen n.l. ook dwarskijken. Maar hoe meer baarden hoe veiliger ik me voel. Heb jij er wel eens over nagedacht, hoe het ons zou vergaan als de zon eens op het idee kwam om te gaan jongen? De vraag naar de gevolgen daarvan rees vanmorgen in II B naar aanleiding van een fabel van Phaedrus. De klas vond het schuin, geloof ik, want er stond iets van liberos creare, als was het dan maar van de zon en het individu, dat de beurt had, kreeg een kleur. Dacht zeker aan de mosselschelpen van hieronymus bosch.

Ik ben door 'n boek v Eddy heengezwommen, en heb het gefluim met doodsverachting geslikt. Hè god, wat een vies beeld alweer! Quidquid templabo dicere, turpe erit. Meneer Ritter vindt het boek ontroerend. Hij is vooral geschokt door pag. 27, waar Eddy snikt. Zie ‘de literaire delver’. Verwacht van mij geen uitspraken over het land v. herk, want ik lees nou eenmaal een boek zoals ik brei, of muziek hoor of in 't bad lig. Zeg, wat kun jij toch een beleefde briefies schrijven! Enfin dat is je vak nu eenmaal: de boel te verlakken en te beduvelen met zoete klanken. Als je trouwens eens wist, wat een bedwelmende geuren en vervagende sluiers er voor poema's uit je schrifturen opstegen, dan zou je ontmaskeraarshart rillen van machteloze spijt!

Dag. Tot ziens! Hartelijk julie Jo.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie