N.A. Donkersloot
aan
Menno ter Braak

[1932]

(...)

verzet tegen jullie poging het meeningsverschil in een antithese van superieur (t. Br. - du P) en inferieur (A.D.) om te zetten. Dat arrogant en in zijn intolerantie ook benepen dogmatisch.

Dat ik het/mijn schrijverschap gewichtig zou vinden, kan alleen iemand meenen die mij onvoldoende kent.

Behoeft ‘'t publiek iets te geven’ nog nooit in mij opgekomen.

Die 2 feiten willen toch wel iets zeggen: dat iem. zelf nooit gedacht heeft aan de bedoelingen die men hem toeschrijft.

Dat CB velen van dienst kan zijn: een voordeel; zou in ieder land doodgewoon gevonden worden alleen de Principienreiterei hier ziet daar een zelfverlaging in.

In CB niet méér aan voorlichting dan in N.R.C. (die medewerking begrijp ik bij jouw standpunt niet meer).

Rancune geen sprake - leven voor mij geen kwestie van standpunten. Leven, en sommige dingen daarvan ook wel opschrijven, maar dat niet 't belangrijkste.

In jullie geschrijf iets maniakaals, een menschelijk onhoudbaar absurd superioriteits isolement, dat je juist brengt waar je niet wezen wilt: daar waar de litteratuur vòòr het leven gaat en het papier het belangrijkste wordt. Paradox [vh] démasqué der schoonheid is, dat de verloochening der litteratuur een nieuw litteratendom wordt.

Forum daarom steriel,m.i. dichter bij het papier dan bij het leven.

(...)

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum | fragment

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie