E. du Perron en E. du Perron de Roos
aan
Menno ter Braak

Bandoeng, 2 november 1938

Bandoeng, 2-XI-'38.

 

Beste Menno,

Hartelijk dank voor je (eerste, de 2e met het Z. artikel komt nu net.) brief, die kwam toen Eddy net een paar uur uit het ziekenhuis terug was, en zich slap, machteloos en daardoor zeer gedeprimeerd voelde. Maar dat was de reactie, en sinds gister (de 2e dag thuis) is dat alweer een hoop beter, hoewel hij toch nog het grootste deel van de dag liggend doorbrengt. Het zal trouwens nog wel een kleine maand duren vóór hij vergeten mag dat hij ziek geweest is, volgens de dokter; ik hoop dat hij dan óók uitgerust zal zijn van de vermoeienis van vóór zijn ziekte, die hem zoo vatbaar gemaakt heeft.

Toen ik je brief las, had ik het gevoel, dat ik je tòch had moeten telegrafeeren toen het beter ging, maar hetzelfde wat jij het ‘spookachtige’ van de afstand noemt, weerhield me ervan: het gevoel dat ik je het verheugende van de inhoud niet met het moment van schrik bij het ontvangen ervan moest laten betalen. Daarbij nog een soort bijgeloof, omdat de crisis bij een longontsteking hier in Indië nooit zoo abrupt is als in Europa, en er dus meer dagen noodig zijn vóór je van zekerheid kunt spreken. Mijn briefje was trouwens al onderweg.

Maar je telegram deed me ook op dat moment van beginnende ontspanning goed, en ook Eddy, die toen juist weer gevoelig voor de buitenwereld begon te worden. Ik heb gemerkt dat je in zulke dagen soms behoefte hebt om aan een soort telepathie van de vriendschap te gelooven, en zulke bewijzen van ‘verkregen contact’ hebben dan, ook al zijn ze vertraagd door de afstand, nog hun volle waarde.

Eddy schrijft nog een paar woorden bij.

Veel hartelijks voor Ant en jou,

Bep.

 

Bandoeng, 2 Nov. '38.

 

Beste Menno,

Ik was erg getroffen door je brieven, waarvan ik er een in 't hospitaal las, en de ‘riposte’ op het stuk van Zentgraaff, die wij zooeven ontvingen. Dank! Je stuk is in menig opzicht met de juiste dosis tact (beleid) geschreven, en als het Bat. Nwsblad een blad met éénige moed was, zouden ze het daar, althans gedeeltelijk, overnemen. Maar daar is vrijwel geen kans op, gegeven de doodsangst van deze heele provincie voor den pallurk Z. Er heeft een ‘fatsoenlijke’ verdediging van mij gestaan in Het Indische Volk, een klein socialistenblad hier, en er komt er nog een in Kritiek en Opbouw (dat je nu kent - 200 abonnés tegen de 4000 van de Java-Bode), beide van denzelfden man: een néerlandicus genaamd de Vries, op 't oogenblik wd. bibliothecaris v/h Bat. Genootschap, socialist, en iemand die ik bijna niet ken. Wel aardig, zooiets, want hij schreef mij dat hij ‘helsch’ was over 't moois van Z. - Met-dat-al, laat ons vaststellen dat ik 't heb uitgelokt met mijn kritiek op Atjeh (heb je die nu ontvangen?), omdat deze alomgevreesde mij, zooals je weet, allang de keel uithing. Ik ga nu mijn tegenstuk schrijven, - voor het kleine Kr. en Opb., als 1e ‘bijdrage tot betere kennis van de provincie’.

We zullen zien, ondanks de ongelijke partij wat de ‘organen’ betreft, wie den ander beter steken kan: ik hem of hij mij. Het is jammer dat ik me fysiek nog zóó belabberd voel, want mijn hersens werken best en ik weet al precies hoe ik mijn stuk maken wil. Het zal ‘indisch’ ranselen zijn, dat beloof ik je; anders verstaat dit rund het niet. Maar wat het vee van de Java-Bode betreft, dat is ‘onbereikbaar’, dat is volmaakt gebiologeerd en geregeerd door dezen sergeant, wat geen wonder is waar het voor 98% uit planters, handelsprollen en ennesbejers bestaat.

Ziedaar. Ik heb je helaas weinig anders te vertellen, dan dat allerlei menschen zich alleraardigst gedragen hebben gedurende mijn ziekte en dat ik in de bloemen gezet werd, voor herstel, thuiskomst en verjaardag (vandaag werd ik 39!), zoodat ik er nu in zit, zegt Bep, als een vedette. Maar ik ben nog niets waard, fysiek, en voortdurend lezen verveelt me ook.

Ik stuur je binnenkort een bundel oud-jav. wijsheid (vertaald natuurlijk), een soort ‘levenskunst’ in aforismen, nogal gek. Verder een herziene, verbeterde Levet (inplaats v/h ex. dat je in Juan-les-Pins kreeg, geef dat dan maar weg); en tenslotte een verrassing. Dan wschl., eindelijk, Sprookje v/d Misdaad en Mult. II. Als je dit laatste bespreekt, vermeld er dan bij dat de exx. voor Holland te krijgen zijn bij ‘Templum Salomonis’, Leiden. Ik schrijf spoedig beter. Neem dit geklets nu voor lief. Eig. hoop ik je over ± 6 mnd. weer te zien. - Een hartelijke hand van steeds je

E.

 

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie