Briefwisseling Menno ter Braak - Willem van Ravesteyn

Willem van Ravesteyn
aan
Menno ter Braak (Rotterdam)

Rotterdam, 10 juli 1932

Rotterdam 10 Juli '32

 

Geachte Heer.

Ik lees daar zooeven in een stukje van uwe hand in de N. Rct. van heden morgen dit zinnetje:

‘Het pacifisme als theoretisch bedenksel van bange menschen, die bij het woord oorlog plotseling de erfzonde uit den grond zien komen, het pacifisme als leuze van politici en sjacheraars, die er een rhetorische figuur in zien, kortom, het pacifisme als slavenmoraal en een hoogst onsympathiek verschijnsel; onder het zien van een pacifistische film als “Ik heb een mensch gedood” van Ernst Lubitsch zou men werkelijk een voorkeur krijgen voor den oorlog, omdat een oorlog tenminste dat soort leugenachtige vredesidylles uitsluit.’

Nu kan men niet op alle slakken en slakjes zout leggen, zegt het spreekwoord terecht. Bovendien is het niet de gewoonte - misschien een goede gewoonte- van de N Rct om naar aanleiding van artikelen ingezonden stukjes of kritische opmerkingen te plaatsen. Ten slotte is u - meen ik - nog vrij jong en als men al wat ouder is, is men bereid van de jeugd - vooral in onze lichtelijk verwarde tijd - wat door de vingers te zien. Maar toen ik dat zinnetje las, dat eigenlijk uit verscheidene zinnetjes bestaat, kon ik toch niet nalaten - ik had momenteel er de tijd voor - in gedachten een paar vragen te formuleeren. En nu ben ik maar zo vrij, die persoonlijk tot u te richten, al heb ik niet 't genoegen u te kennen anders dan door wat ik zoo te hooi en te gras eens van u lees.

Er zou veel te vragen zijn naar aanleiding van dezen eenen samengestelden zin. Maar ik bepaal me tot 't volgende

‘Het pacifisme als theoretisch bedenksel van bange menschen, die bij het woord oorlog plotseling de erfzonde uit den grond zien komen. ...’

Vraag 1: Is u niet bang, wanneer gij u niet het woord, maar de realiteit van den gewezen en eventueel komende oorlog voorstelt?

Hebt u zelf aan een stormaanval bij [onleesbaar] of elders meegedaan, jaren in een natte loopgraaf, met luizen bedekt en excrementen om u heen gelegen? Etc. etc. Is het dan - wanneer u, net als ik meen ik, nooit van dat alles iets hebt meegemaakt, niet een beetje... hoe zal ik 't zeggen? kwajongensachtig? - om zooiets te schrijven. Ik heb een jongen van 15 jaar. Maar als hij zoo iets zei, kreeg hij een klap om zijn oren van me, dat hij suisebolde.

Vraag 2. Is het pacifisme een theoretisch bedenksel ‘van bange’ menschen? Hebt u wel eens Brailfords vertaalde boek: Olives of Endless Age’ ingekeken? Ik had de eer dit in 1928 te vertalen. Ik raad de lectuur aan; die u, blijkbaar, nog even hard noodig hebt als tienduizenden die het niet gelezen hebben.

Ik laat 't bij deze toelichting van de vraag. Mijn indruk is, dat u er maar iets hebt uitgeflapt zonder even na te denken. Als mijn jongen dat doet, waarschuw ik hem altijd. Maar hij zit pas in de eerste klas van 't gymnasium en schrijft niet gelukkig.

Vraag 3. ‘De erfzonde’. Wat heeft het pacifisme van die ‘bange menschen’ - ‘den gemiddelde bangen burger’ bedoelt u zeker? - met de ‘erfzonde’ te maken? Leeft de gemiddelde liberale bange burger - Rotterdamsch type, wij zitten er steeds midden in, niet waar? - uit het gevoel der ‘erfzonde’? Weet u werkelijk niet beter? Of hebt u ook hier, met [permissie], maar weer wat er uitgeflapt?

II ‘Het pacifisme als leuze van politici en sjacheraars, die er een rhetorische figuur in zien’. ...

Vraag 1: Politici en sjacheraars? Is dat een rhetorische figuur, of wat bedoelt u ermee? Zijn politici en sjacheraars voor u identiek? Bedoelt u dat iedere politicus een sjacheraar is of iedere sjacheraar een politicus?

En wat beteekent het eigenlijk, wanneer u zegt, dat die politici + sjacheraars of politici-sjacheraars in het pacifisme een rhetorische figuur zien? Hoe kan een idee, of een abstractie -het pacifisme- een rhetorische figuur zijn, dwz. een taalvorm?

Vraag 2: Is u werkelijk zoo onwetend of zoo naief, of zoo onnozel of hoe u 't anders wilt noemen, dat u alle politieke leuzen ‘a priori de aandacht van een hoogstaand artistiek mensch’, een literator als u, en nog een dozijn of twee dozijn andere in dit land - benevens eenige dozijnen elders - niet waard acht? Indien u dit niet is, heeft gij u, voor een literator, buitengewoon onbeholpen uitgedrukt. Want niemand, die lezen kan, kan in uw wijze van uitdrukking iets anders lezen dan dat al die politici en (of) sjacheraars ‘zich maar van iets zinneloos -[onleesbaar] leuzen- bedienen, ten einde, nu ja, iets te bereiken, wat men maar raden moet. Doch waarom durft u dan niet te zeggen, dat iedere politicus, van wijlen Lenin tot wijlen Troelstra, van wijlen Briand tot den nog levenden Macdonald, van Wijnkoop tot baron Wijnbergen eenvoudig een bedrieger is?

U zult misschien zeggen, dat u dat niet bedoelt en 't dus ook niet schrijft. Maar wat in 's hemelsnaam wil uw zinnetje dan zeggen?

III ‘Kortom, het pacifisme als “slavenmoraal” is een hoogst onsympathiek verschijnsel.’

Hierin wordt dan nog eens geresumeerd, wat in dat groote geheel pacifisme uw ergernis wekt. Een ergernis die er bij deze gelegenheid blijkbaar maar weer eens uitmoest.

Vraag 1: Waartoe den armen Nietzsche hier weer eens misbruikt? Moet dat nu altijd maar zoo doorgaan? Niet alleen bij ‘schoolmeesters’, omtrent wier eruditie ik onlangs van u of een ander ook al in de NRCt een ‘sneer’ las? U hebt voor die schoolmeesters natuurlijk een diepe minachting, al is u er zelf een, meen ik, zij het dan ook slechts voor den broode, neem ik aan. Hebt u er werkelijk wel eens over nagedacht, wat de arme en toch zoo groote man, die, helaas, door de geschiedenis - d.w.z. door wat wij misschien zoo mogen noemen - voorbestemd was om, tegen zijn wil, een der wegbereiders te worden van het ‘Imperialisme’ - hebt u ook over dit geestelijk complex nagedacht? Ja, hebt u er wel eens iets behoorlijks over gelezen? - en dus een der wegbereiders van de catastrophe van 1914 - de opruiming dus o.a. van de 400 of 500 dichters, die in den oorlog zijn gevallen, [van] Rheims en Yperen vernietigd - hebt u er werkelijk wel eens over nagedacht, wat Nietzsche zou gezegd en gedaan hebben, indien hij niet krankzinnig was geworden en in 1914 zelf had moeten uitrukken? Onzinnige suppositie, zegt u. Inderdaad. Doch niet onzinniger dan uw kwajongensachtige samenvatting van alle pacifisme als ‘slavenmoraal’.

Vraag 2: naar aanleiding van dit zinstukje heb ik in 't bovenstaande al kort gesteld.

Tenslotte. De film van E. Lubitsch noemt u een leugenachtige vredesidylle. De NRCt. -in dit geval, als ik me niet vergis de redacteur de heer V. van Vriesland- een man, tusschen haakjes, van wien ik nimmer oppervlakkige jongensachtigheden als de uwe las - dacht daar anders over. Hij prees de film ten zeerste. Laat mij volstaan met te zeggen dat ik die meening deel. Men moet een ‘snob’ zijn om zich, in zulk een geval, tegen de natuurlijke en menschelijke gevoelens te verzetten.

Ik geloof - bedenkend wat ik zoo wel eens over u las, hetwelk niet veel is, ik geef dat toe; immers als uw grootere prozastukken ken ik slechts bij geruchte en, eerlijk gezegd, heb ik geen lust er mijn tijd aan te besteden, waar er zoo oneindig veel meer belangrijkers te lezen valt - dat u uit snobbisme schrijft zooals u in dit stukje geschreven hebt. Snobbisme is geen misdaad; het is zelfs geen zonde. Het is zoo min zonde als wat iedere jonge vrouw doet, die een apart hoedje of japonnetje probeert te dragen.

Maar het is misschien goed voor u en de uwen die, verbeeld ik me, altijd in een zeer klein kringetje van elkaar beurtelings bewonderende, opkomende en weer aftakelende ‘jongeren’ leeft, eens te hooren, wat ietwat oudere en, naar zij meenen, wijzer menschen denken van [geblagueer] als u nu weer in dit stukje ten beste hebt gegeven.

Met beleefde gr.

Hoogachtend

W van Ravesteyn

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie