Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Rotterdam, 1 december 1933

R'dam, 1 Dec. '33

 

Beste Eddy

Zooeven je brief over Ortéga en ‘de cijfers’ ontvangen. Eén van je duidelijkste, aardigste en intiemste brieven, die ik me kan herinneren! En nogmaals: door zulke brieven zie ik weer eens en voor altijd de belachelijkheid van de querulanten-aantijging, die ik een oogenblik meende te kunnen begrijpen, al was het maar voor 1%. Wat jij voor en tegen Ortéga hebt, is precies ook mijn idee over hem, al zou ik hem iets hooger willen aanslaan voor talent (6) en ideeën (7), ev. lager zelfs voor ‘ziel’ (3?). Mijn ‘annonce’ in de N.R.C. was inderdaad in de eerste plaats een kreet voor het publiek, dat tegen Sinterklaas zelfs de grootste rotzooi opgewarmd krijgt alsof het werkelijk iets was. Voor Holland is O.y.G. absoluut goed genoeg om niet verloochend te worden in een dagblad, en zelfs met eenige kracht te worden aanbevolen contra Spengler. Trouwens, ik was tamelijk enthousiast na de lezing, en erken eigenlijk pas na jouw critiek, hoezeer hij niet ‘calenderhaft’ is. Ik denk ook, dat hij iets van een artistieke professor zal hebben, eigenlijk een man van de wetenschap, die smaak en ‘honnêteté’ genoeg heeft voor iets beters. Je moet Ortéga alleen niet kwalijk nemen, dat hij Hitler niet noemt, want hij schreef in 1929; en Mussolini, die er wel was, noemt hij ook zeer positief als ‘hordenleider’. - Die verdeeling in 4 appartementen van den mensch is overigens lang niet gek. Alleen wordt voor mij onmiddellijk problematisch, waarop dat cijfers geven berust, en in hoeverre wij hier bezig zijn een nieuwe ‘indeeling’ te scheppen, even betrekkelijk b.v. als die in de 4 temperamenten. Ik bedoel: op een of andere manier moet het calenderschap en zijn nuanceeringen weer in verband worden gebracht met den ‘slaaf’; hooge cijfers moeten een uiterst reëele verhouding uitdrukken, ook in macht. Enfin, juist hier zit voor mij momenteel het vraagteeken. Ik leef midden in de practijk ervan door de dagelijks terugkeerende vraag: hoe vind ik een geheimschrift, dat niets verraadt en toch geen ‘onwaarheid’ spreekt! Misschien is inderdaad deze oplossing de ideale, dat men alle vulgaire bijgedachten, die anders in margine of heelemaal niet genoteerd zouden worden, bestemt voor de krant. Die vulgaire kant is dan nog wel degelijk ‘waar’. - De vier tienen voor Nietzsche zijn zeer juist, ik geloof dat nog altijd. Na hem gelezen te hebben, mis ik bij iedereen (tot nog toe) iets, één van de vier cijfers is altijd lager. Serieuze tegenwerpingen tegen Nietzsche heb ik nog altijd niet. Soms, als ik denk er één gevonden te hebben, vind ik ineens de aanvulling ergens in zijn werk, als ik het opsla; hij blijkt toch weer completer te zijn dan ik dacht. Dat is één van de voordeelen van zijn door de Kloenphilosophen altijd zoo gehekelde ‘innerlijke tegenstrijdigheid’! - Stendhal met vier negens vind ik ook best. Lawrence zou ik iets wijzigen: talent 6-, intelligentie 6, ‘ziel’ 9, ideeën 4. Drieu: blanco, ik heb in den laatsten tijd niets meer van hem gelezen. - Wim zat hier Ortéga te lezen en zijn oordeel, (al snuffelend snoof hij het uit, op de bekende wijze) kwam geheel overeen met het jouwe, alleen, geloof ik, was het iets gunstiger.

Ik moet weer aan het werk voor Het Vad. Dit er snel tusschen door! Angèle maakt hier te lande, zooals ik vermoedde, aardig opgang! Natuurlijk (en dit spelen verschillende heeren tegen Dumay uit) is het het ‘geestelijke’ étage-verschil, dat Henny hooge koerswaarde geeft. Zijn menschen ‘loopen te symboliseeren’.

De vulgariseering door de journalistiek (waarvan je inderdaad een monstrueus voorbeeld geeft) moet te vermijden zijn! Ik geloof niet in het altijd zoo druk geafficheerde noodlot: ‘door de journalistiek werd hij vulgair, verstomde hij, werd hij 2e rangs’ etc, etc. Het is andersom (vgl. je theorie over de acteurs): geboren 2e rangsmenschen worden journalist, om een voorwendsel voor verstommen + carrière te hebben! Ik zal aan Het Vad. andere weerstanden vinden dan op het lyceum; maar principieel zijn zij tòch dezelfde. En ik ben toch ook geen leeraar geworden, hoop ik? Maar bij buien vind ik het compromis erg drukkend.

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie